Het verbod op de verkoop van softdrugs aan niet in Nederland wonende klanten is niet in strijd met het discriminatieverbod van art. 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat heeft de Hoge Raad op 29 september 2015 geoordeeld. De Hoge Raad verwijst daarbij naar een uitspraak van het Hof van Justitievan de Europese Unie uit 2010 waarin het Hof het verkoopverbod een maatregel noemt die het drugstoerisme tegengaat. Het Hof meent ook dat een lidstaat passende maatregelen mag nemen tegen inwoners uit andere lidstaten die van het gedoogbeleid willen profiteren. In deze zaak is een portier van een coffeeshop in Maastricht veroordeeld voor medeplegen van de illegale verkoop van softdrugs aan niet in Nederland wonende klanten. Zijn vervolging is niet in strijd met het verbod van willekeur vindt de Hoge Raad, ook al wordt het verkoopverbod aan buitenlanders niet overal op dezelfde wijze gehandhaafd. Die vervolging vindt steun in de landelijk geldende Aanwijzing Opiumwet. Het openbaar ministerie en de burgemeester van Maastricht mochten op deze wijze optreden tegen drugstoerisme. De Hoge Raad is er in deze zaak echter niet van overtuigd dat de verdachte in zijn rol als portier een wezenlijk bijdrage heeft geleverd aan de illegale verkoop van softdrugs aan niet-inwoners van Nederland wezenlijk bijdrage heeft geleverd aan de illegale verkoop van softdrugs aan niet-inwoners van Nederland. 

 

De volledige uitspraak van de Hoge Raad kunt u hier lezen.